Mijn vijfentwintigste blogaflevering! Een jubileum dus. Ook deze keer komt de relatie mens-landbouw aan de orde, en wel op de meest materiële wijze die maar mogelijk is: het eten. Toch zal ook hier blijken dat de stof niet het enige is dat telt. Ik weet het: hoe ver kan een deur geopend staan. Toch is het soms zinvol om door die openstaande deur heen te kijken om de daarachterliggende ruimte te beschrijven. Misschien is er iets nieuws te zien?
De tekst van deze blog is een-op-een overgenomen van het artikel dat ik afgelopen december geschreven heb voor het tijdschrift Dynamisch Persperctief, het ledenblad van de Biodynamische Vereniging. Het is in veel opzichten een compacte weergave van een voordracht die ik in 2023 gehouden heb en die op deze website te vinden is onder de titel: 'Van voedingsmiddelen naar levensmiddelen'. Zie afdeling op deze website: artikelen, links en boeken.
Wat ons voedt
‘De mens voedt zich niet alleen door het voedsel dat hij eet, hij kan zich ook door de ademhaling en zelfs door de poorten van de zintuigen voeden’, aldus een kernachtige uitspraak van Rudolf Steiner in de Landbouwcursus, die hij in zijn laatste actieve levensjaar hield. Deze zin vat de antroposofische voedingsleer samen. Een aantal malen in de landbouwcursus maakt hij voedingskundige opmerkingen; in de eerste twee voordrachten en in de laatste voordracht, maar ook in het midden bij de bespreking van de preparaten. Steiner beschrijft hierin twee voedingsstromen: een aardse en een kosmische stroom. De mens eet, oneerbiedig gezegd, van twee walletjes.
Planten verbinden hemel en Aarde. In de verbinding met het zonlicht brengen zij aardse, dode stoffen tot leven. Zo ontstaan levende substanties die een stoffelijke kant en een krachten-kant hebben. De mens staat net als de plant in een verticale positie en vanuit deze houding verbindt ook hij hemel en Aarde, maar dan met zijn of haar ziel. Om dit op een adequate manier te kunnen doen heeft hij behoefte aan voedsel dat hem niet alleen stoffelijk, maar ook geestelijk voedt.
Drieledige mens
Alvorens deze twee voedingsstromen te beschrijven is het essentieel om te weten dat het menselijk lichaam een drieledige opbouw heeft:
Als eerste is er het zenuw-zintuigstelsel. Dat heeft zijn zwaartepunt in het hoofd, maar is ook overal waar zenuwen lopen en zintuigen zijn (ogen, oren, neus, maar ook de huid als tastorgaan, etc.). De zintuigen zijn overwegend naar buiten gericht, de zenuwen vooral naar binnen. Ze zijn vrij star, onbeweeglijk en hebben een gering regeneratievermogen. Het is de rustpool. Daar tegenover staat het stofwisselings-ledematenstelsel, dat vooral in de onderste helft van het lichaam gesitueerd is. Inclusief de reproductieorganen. Hier is beweging en opbouw. In de ledematen is nog enig bewustzijn, maar de stofwisseling verloopt geheel buiten ons bewustzijn om. De ledematen zijn meer naar buiten gericht en de stofwisseling naar binnen, deze is ontvangend en verwerkend. Natuurlijk werkt de opbouwkracht van de stofwisselings-ledematen-pool in het gehele lichaam door.
Tussen beide polen in staan de longen en het hart. Beide dragen de werkzaamheid van het ritmische, harmoniserende midden. De longen staan daarbij meer in verbinding met de buitenwereld en het hart, fysiek gezien, is naar binnen gericht. Ook de werkzaamheid van hart en longen strekken zich uit over het gehele lichaam. En zo weven en werken de drie lichaamsgebieden met elkaar samen en vormen één gedifferentieerd geheel.
Plant als omgekeerde mens
Ook de planten zijn drieledig opgebouwd: uit wortel, blad en bloem. Uit deze drie-eenheid komen de zaden voort, al dan niet omhuld door een vrucht. Nu is er verwantschap tussen de afzonderlijke drie gebieden van mens en plant, maar dan wel omgekeerd: het hoofd bovenaan de mens is verwant met de wortel beneden. Het onderlichaam met onder andere de reproductieorganen is verwant met het bloemgebied van de plant.
Het ritmische midden bij de mens, het gebied van longen en hart, is verwant met het middengebied van de plant, haar groene bladeren. De processen die hier plaatsvinden zijn complementair. De mens ademt zuurstof in en kooldioxide uit, bij de plant is het precies andersom. Die heeft kooldioxide nodig om te groeien en daarbij komt zuurstof vrij, het overbekende fotosynthese proces. Dragers van dit complementaire proces zijn het groene chlorofyl in het blad en het rode hemoglobine in het bloed. Deze twee kleuren zijn op hun beurt complementair in het kleurenspectrum. En dat niet zomaar, ze zijn vaandeldrager voor een hele wereld: groen als symbool voor het leven, rood als symbool voor bezieling.
Afbeelding 4, plant en mens in hun drieledigheid. Het wortelgebied van de plant correleert met het zenuw-zintuigstelsel van de mens, vooral het hoofd. Het bloemgebied heeft een relatie met het stofwisselings-ledematenstelsel. Het bladgebied tot slot correspondeert met het ritmische gebied van hart en longen.
Aardse voedingsstroom
De aardse voedingsstroom omvat de levensmiddelen die we dagelijks eten. De opgenomen stoffen worden totaal afgebroken, zodanig dat er van de oorspronkelijke eiwitten, vetten en koolhydraten niets meer terug te vinden is. Het is deze tot uiterste chaos gedreven eenheidsbrij waarvan een deel de darmwand passeert en aan de andere kant het menselijk eiwit, vet of koolhydraat wederom opbouwt, al naar gelang waar behoefte aan is. Dit is de stof-wisseling. Via de lymfen en het bloed komen deze substanties in het zenuw-zintuigstelsel aan, met name in de hersenen. Je kunt onze lichamelijkheid met een stromende rivier vergelijken, waarbij de lichaamsvorm de bedding vormt waar de substantie doorheen stroomt, die elk onderdeel van ons lichaam continu vernieuwt. Zelfs een tand of kies is na hooguit 280 dagen tot de laatste molecuul vernieuwd.
Behalve deze stoffelijk kant is er ook een krachtenkant van de aardse voedingsstroom. Het zijn de licht- en warmtekrachten die tijdens de plantengroei gebonden zijn aan de aardse materie die nu vrijkomen. Deze vrije warmtekrachten gaan met name naar het ledematenstelsel en ook naar de organen van de stofwisseling. Het zijn die gebieden waar de mens zich met de aardse krachten en substanties uiteenzet, zoals de zwaartekracht. Willen we gaan houthakken dan hebben we krachten (energie) uit aardse voeding nodig, en dan met name voeding uit het bloemgebied van de plant (zie ook afbeelding). De granen (vooral rogge) zijn dan het meest geschikte voedsel, met name vanwege de hoogcalorische waarden van de koolhydraten.
De vrijgekomen lichtkrachten hebben een grote verwantschap met de signalen die zenuwen doorgeven en zullen zich vooral daarmee verbinden. En het zijn hier de wortelgewassen die met hun lichtkrachten een verwantschap hebben met het zenuw-zintuigstelsel.
Schematisch overzicht van de voedingsstromen. In dit schema is het middengebied van de plant en mens weggelaten, omdat dat in het kader van dit artikel te complex zou worden.
Aardse voedingsstroom
De aardse voedingsstroom omvat de levensmiddelen die we dagelijks eten. De opgenomen stoffen worden totaal afgebroken, zodanig dat er van de oorspronkelijke eiwitten, vetten en koolhydraten niets meer terug te vinden is. Het is deze tot uiterste chaos gedreven eenheidsbrij waarvan een deel de darmwand passeert en aan de andere kant het menselijk eiwit, vet of koolhydraat wederom opbouwt, al naar gelang waar behoefte aan is. Dit is de stof-wisseling. Via de lymfen en het bloed komen deze substanties in het zenuw-zintuigstelsel aan, met name in de hersenen. Je kunt onze lichamelijkheid met een stromende rivier vergelijken, waarbij de lichaamsvorm de bedding vormt waar de substantie doorheen stroomt, die elk onderdeel van ons lichaam continu vernieuwt. Zelfs een tand of kies is na hooguit 280 dagen tot de laatste molecuul vernieuwd.
Behalve deze stoffelijk kant is er ook een krachtenkant van de aardse voedingsstroom. Het zijn de licht- en warmtekrachten die tijdens de plantengroei gebonden zijn aan de aardse materie die nu vrijkomen. Deze vrije warmtekrachten gaan met name naar het ledematenstelsel en ook naar de organen van de stofwisseling. Het zijn die gebieden waar de mens zich met de aardse krachten en substanties uiteenzet, zoals de zwaartekracht. Willen we gaan houthakken dan hebben we krachten (energie) uit aardse voeding nodig, en dan met name voeding uit het bloemgebied van de plant (zie ook afbeelding). De granen (vooral rogge) zijn dan het meest geschikte voedsel, met name vanwege de hoogcalorische waarden van de koolhydraten.
De vrijgekomen lichtkrachten hebben een grote verwantschap met de signalen die zenuwen doorgeven en zullen zich vooral daarmee verbinden. En het zijn hier de wortelgewassen die met hun lichtkrachten een verwantschap hebben met het zenuw-zintuigstelsel.
Kosmische voedingsstroom
Bij de bovengenoemde aardse voedingsstroom voegt zich een tweede: de kosmische voedingsstroom. Die komt door de poorten van de zintuigen. Reeds bij het zien of ruiken van een etenswaar komt er in de mond een speekselstroom op gang. De samenstelling van dat speeksel is bovendien precies afgestemd op de samenstelling van het eten. In alle verdere stappen van de vertering is dat trouwens ook het geval; onder andere de maag en de lever scheiden alleen die stoffen af die precies zijn afgestemd op de onderhavige voedingsmiddelen. Het stofwisselingsproces heeft daarmee een zintuiglijk vermogen. Deze condensatie aan spijsverteringssappen is de stoffelijke kant van de kosmische voedingsstroom. Het is uiteindelijk een verdichtingsproces van licht en warmte die als een regen zich uitstort.
In ons hoofd met de hersenen en de zintuigen staan we in verbinding met de kosmos. Alle gedachten en waarnemingen zijn als intenties te zien van wezens. Het zijn krachten die in ons werkzaam zijn. Uitdrukkingen als ‘het schiet me te binnen’ en ‘een inval hebben’ getuigen hiervan. Zoals we door de ledematen en de stofwisselingsorganen ons met het aardse krachten uiteenzetten, zo zetten we ons met het hoofd en de zintuigen uiteen met de kosmische krachtenstroom. Naarmate dit zenuw-zintuig instrumentarium in rust is, dat wil zeggen, niet teveel eigenleven heeft, zal het waarnemen en verwerken van de indrukken meer intensief en verfijnd verlopen.
In de tijd van Rudolf Steiner was de darm-hersen-as, een ongekend intensieve zenuwbaan tussen beide organen, nog totaal onbekend. Hersenen en darmen zijn uitermate verwant, niet alleen qua vorm, maar ook in hun micro-bioom. Het is van een enorm belang wat wij eten; daarmee bepalen wij immers direct de gesteldheid van het zenuw-zintuigstelsel en dan met name de hersenen. Op de vraag aan Steiner waarom de mensen zo’n grote moeite hebben om zich spiritueel te ontwikkelen, was zijn antwoord: dat is een voedingskwestie. Het is daarom niet toevallig dat de Landbouwcursus ingekaderd is door voedingskundige opmerkingen, zoals ik aan het begin van dit artikel al heb aangegeven.
Reactie plaatsen
Reacties