26. Het verschijnsel mens, uniek in zijn ontogenese

Gepubliceerd op 3 augustus 2026 om 17:45

 Het leven in zijn algemeenheid -en de mens maakt daar deel van uit- is een wonder. Er is heel veel dat wij niet weten en dat we waarschijnlijk ook nooit zullen weten en dat altijd een mysterie zal blijven. Zeker als we alles op een analytische, materialistische manier blijven bekijken, zullen we nooit de samenhang kunnen begrijpen, maar ook zullen we niet de schoonheid zien en de wijsheid ervaren die op overvloedige wijze in de schepping aanwezig is.

We leven steeds meer in een door mensen gemaakte omgeving. Dat komt door ons vermogen om de wereld aan te passen naar onze behoeften. Op zijn beurt versterkt een dergelijk vormgegeven omgeving het maakbaarheidsdenken. Het is hetzelfde denken dat überhaupt aan de wieg basis stond van het menselijke vormgevingsvermogen. Het is een zichzelf versterkend proces, dat uiteindelijk zich ook op de mens zelf gaat richten. Het is het zogeheten transhumanisme dat zich nu heel breed aan het manifesteren is.

In deze blog ga ik met een fenomenologische blik kijken naar de lichamelijke menselijke ontwikkelingsgang, zijn ontogenese. Dan blijken tal van fenomenen, die, hoewel gewoon zichtbaar, vrijwel onbekend te zijn. Ze worden weliswaar in wetenschappelijke literatuur ergens genoemd, maar zijn niet doorgedrongen in populaire wetenschapsliteratuur en in de schoolboeken staan ze al helemaal niet. Ze passen gewoon niet in het heersende darwinistische narratief dat de mens ‘maar’ als een dier ziet: een naakte aap nog wel. Of zelfs nog minder dan de dieren, die minder dan de mens geneigd zijn tot alle kwaad. Kijk maar naar de toestand van de wereld, ecologisch en sociaal is het puinhoop en dat alles is veroorzaakt door de mens. Ik weet het, en toch wil ik nu een ander beeld daar tegenover stellen. En wel een beeld dat getuigt van de speciale positie van de mens in de schepping. Het opmerkelijke is daarbij dat zijn lichamelijke ontwikkeling een bevestiging is van deze speciale positie. Als de mens maar zo gewoon zou zijn, waarom in vredesnaam zou hij dan een proces doorlopen dat alleen daarom al opvalt, omdat het anders is dan bij de dieren? Maar niet alleen dat, die ontwikkeling kenmerkt zich bij nader inzien als één groot samenhangend geheel, dat teleologisch, een doel nastrevend, van karakter is. Alleen al het feit dat de mens zo instinctarm is, zou te denken moeten geven. Maakt dat niet een openheid mogelijk, open staan voor iets nieuws, voor het onverwachte? En voorkomt een instinctgedragen levenswijze dat nu juist? Instinctarm is de biologische voorwaarde voor het werkzaam kunnen zijn van een open geest.

Het kunnen verbinden van gangbaar wetenschappelijke kennis met een geestelijk referentiekader geeft mij meer inzicht. Het brengt bovendien schoonheid in het bestaan en dat ontroert me. Daarbij laat ik me inspireren door inzichten uit Rudolf Steiner’s antroposofie. Hij zei ooit: “Het gewaarworden van de idee in de werkelijkheid is de ware communie.”

Een andere belangrijke inspiratiebron voor mij is Adolf Portmann (1897-1982), een Zwitserse zoöloog en goetheanist. Hij was veertig (!) jaar professor in Basel en in zijn tijd beroemd vanwege zijn geschriften over de menselijke ontogenese, de ontwikkeling op lichamelijk niveau. (1)

 

Conceptie

Het begint al met de conceptie. Wat wij geleerd hebben op school is het beeld van een wedstrijd; een struggle of the fittest. De spermacel die het snelst is in de race, mag de eicel penetreren. Een soort macho gedrag op micro-niveau. Hoe anders is de realiteit. Die heeft bovendien een naam: het Preconceptioneel Attractie Complex (PAC). (2) De reusachtige eicel, de grootste lichaamscel en met het blote oog waarneembaar, is door talloze spermacellen omringd. Dat zijn de kleinste lichaamscellen: praktisch alleen maar celkern met daaraan een heel lange staart. Gedurende een bepaalde tijd, soms wel urenlang, is er een uitwisseling tussen de eicel en de vele duizenden spermacellen om haar heen. Het geheel lijkt wel op een zon met haar lichtstralen. Dan, na deze intensieve uitwisseling, opent de eicel zich actief en mag er een spermacel binnenkomen.

                        Afb. 1 Eicel omringd door talloze zaadcellen

In de wetenschapsliteratuur lees je geregeld de verbazing over de traagheid van het mechanisme (!) van de menselijke bevruchting. Dat moet toch sneller, efficiënter kunnen? Alsof er geen sprake is van een ontmoeting, een relatie die opgebouwd moet worden en die tijd vraagt!

Uit deze ontmoeting en het samengaan ontstaat de zygote. Na ruim een week vindt de innesteling van de zygote in de baarmoederwand plaats.

Intermezzo

Tussen mens en plant zou je zomaar een parallel kunnen trekken. Daarbij is de bestuiving van de planten bovenin de bloem te vergelijken met de ‘bestuiving’ van de eicel door een spermacel. Daaruit ontstaan respectievelijk het zaadje met daarin opgesloten het kiemplantje en de zygote. Het zaaien van een zaadje in moeder aarde heeft als evenknie de innesteling van de zygote in de baarmoederwand: dat is de ware bevruchting. Dan begint de echte zwangerschap. En bij de planten: pas door te zaaien in de levende aarde kan de echte plant gaan groeien. Het kiemplantje bestaat maar kort en is slechts de brug tussen de twee generaties. (3)

Zwangerschap

In de negen maanden durende zwangerschap maakt het embryo een enorme ontwikkeling door. Als je de zwangerschapsduur extreem versneld zou afspelen in een film, dan zou je groeibewegingen zien, in dit geval niet zozeer ruimtelijk maar in de tijd. Het lijkt op een filmpje van een ontkiemende boon, die in versnelde wijze wordt afgespeeld. Het bijzondere is nu dat armen en benen een geheel verschillende groeibeweging maken. De armen hebben een naar zich toe halend, als het ware een omhullend gebaar. De benen maken daarentegen een zich afzettend gebaar. Over beide groeibewegingen stamt de uitdrukking van Erich Blechschmidt, Duits embryoloog uit de vorige eeuw: ‘ein voraus üben im Physischen’. (4) De groeibewegingen van de ledematen zijn een vooroefenen op de functie die ze later in het aardse leven zullen gaan uitoefenen: met de armen het grijpen van iets, met de benen zich afzetten om te kunnen voortbewegen. Het is veelzeggend dat juist bij de mens, de enige tweevoeter in vergelijking met de zoogdieren, zulke grote verschillen te zien zijn in de bouw van armen en benen, het meest nog wel tussen de handen en de voeten.  

Twee andere specifiek menselijke vroeg-embryonale ontwikkelingen zijn de vorming van de unieke bekkenstand en de s-vormige wervelkolom, die beide als voorbereiding voor het latere rechtop staan worden aangelegd in de tweede en derde maand van de zwangerschap.

Zwangerschapsduur

Zou de menselijke embryo zich op dierlijke wijze ontwikkelen, dan zou de zwangerschap minstens vijftien maanden, zoals bij de olifanten, maar eerder nog langer: eenentwintig maanden moeten duren. Immers grofweg kun je stellen: hoe hoger het cerebrale vermogen hoe langer de zwangerschap duurt. Zoals iedereen weet, komen we echter al na negen maanden ter wereld. Adolf Portmann noemt dat een fysiologische vroeggeboorte.

Intermezzo

Qua duur van de nestzorg, de verzorging van de jongen door de ouders, bestaan in het dierenrijk twee groepen: nestvlieders en nestblijvers.

Nestvlieders: bij de vogels zijn dat hoenderen, eenden en kippen. En bij de zoogdieren: het olifantenjong, het kalf bij de runderen, het veulen bij de paarden en zebra’s, het walvisjong, het apenjong. Zij komen met open ogen ter wereld, kunnen vrijwel meteen zelfstandig zich voortbewegen, lopend dan wel zwemmend, of meer indirect, door zich zelf vast te klampen aan de moeder, zoals bij de apen het geval is. Tevens kunnen zij zelfstandig voedsel tot zich nemen door te zogen bij de moeder.

Nestblijvers: bij de vogels zijn dat de kraai-achtigen, en het spreekwoordelijke uilskuiken. Bij de zoogdieren: muizen, ratten, konijnen. Blindgeboren als ze zijn, zonder vacht, kunnen ze zich niet of nauwelijks zelfstandig voortbewegen en moeten de eerste tijd intensief verzorgd worden.

Hoe verhoudt  de mens zich tot deze twee categorieën? Hij heeft als enige (!) eigenschappen van beide. In zijn ledematenstelsel is hij een nestblijver, in zijn zenuw-zintuiggebied is

Fysiologisch vroeggeboorte

Waarom noemt Portmann dat zo?

  1. Zoals reeds gezegd; zouden wij ons embryonaal op dierlijke wijze ontwikkelen, dan zouden we maar liefst eenentwintig maanden in de prikkelarme warme baarmoeder blijven.
  2. De groeisnelheid van een mensenkind kun je grafisch weergeven met een groeicurve. Bij de mens is die groeicurve heel speciaal (zie de tekening hieronder). In het eerste levensjaar ná de geboorte vertoont die een volledige voortzetting van de embryologische groeicurve van vóór de geboorte. Er is alleen een kleine dip bij de geboorte. De uterine fase van negen maanden binnen de baarmoeder, en de extra-uterine fase van twaalf maanden buiten de baarmoeder, vormen één geheel! Bij elkaar opgeteld eenentwintig maanden. Na het eerste levensjaar treedt er een sterke afvlakking op, zichtbaar als een knik in de groeicurve. Tot aan de puberale strekkingsfase, omstreeks het 12e-14e levensjaar, is de lengtegroei opvallend langzaam. De mensapen hebben in hun eerste levensjaar een minder steile groeicurve dan de mens, maar die gaat gewoon door, zonder afvlakking en omstreeks hun 8e (chimpansee) of 10e jaar (oeran oetang) zijn ze volgroeid. Daarvoor zijn ze al enkele jaren seksueel actief.

       9 maanden                12 maanden

Afb. 2 De menselijke groeicurve is uniek. Na de eerste twaalf maanden een sterke afvlakking, die voortduurt tot het 12e- 14e  levensjaar. Dan treedt een volgend specifiek menselijk fenomeen op: de puberale strekkingsfase, die nergens in het dierenrijk voorkomt.    B= bevruchting, G = geboorte. X-as is aantal jaren. Y-as is lengtegroei. Vrij naar: ‘Biologische Fragmente zu einer Lehre von Menschen’, Adolf Portmann.

Waarom is deze groeicurve zo belangrijk en veelzeggend? Omdat het in zijn vorm uitdrukking geeft van de unieke positie van de mens en de cruciale rol die het eerste levensjaar daarin speelt. Portmann werd er in zijn leven zó beroemd mee dat het naar hem vernoemd werd:     ‘Das Portmannsche erste Lebensjahr’.

Drie menselijke vaardigheden

Drie basisvaardigheden worden zowel door Steiner als Portmann talloze malen genoemd.

Het zijn:

  1. (rechtop) lopen
  2. spreken
  3. (een eerste aanleg van inzichtelijk) denken.

Het zijn deze drie specifiek menselijke vermogens die geleerd moeten worden, soms letterlijk met vallen en opstaan. De dieren hoeven dat allemaal niet te leren. Hun instinct zorgt voor alles wat ze nodig hebben. Geen veulen hoeft te leren lopen, geen kalf hoeft te leren drinken, etc. Het is wél de reden dat hoogontwikkelde zoogdieren een lange draagtijd hebben. Dit heeft verder nog als gevolg dat het niet uitmaakt of je nu of 100 jaar geleden, hier of in China geboren wordt, de biotoop van de warme, prikkelarme baarmoeder is altijd en overal hetzelfde.

Echter kenmerkend voor de mens is nu juist dat hij voortijdig de baarmoeder verlaat. Daardoor komt hij vervroegd in een sociale samenhang terecht, die vervuld is met vele prikkels. De sociale samenhang is bovendien telkens anders, al naar gelang de plek en tijd waarin het kind geboren wordt. De normen en gewoonten zijn overal anders, de taal al helemaal. Vanwege de al genoemde wakkerheid van zijn zenuw-zintuigstelsel (nestvlieder) zal het mensenkind die diep in zich opnemen. Al heel snel zal de zuigeling klanken uitstoten die met de taal samenhangen die het uiteindelijk zal gaan spreken, een Chinese heel anders dan een Italiaanse zuigeling.

Het is op een omvattender niveau gezegd het verschil tussen natuur en cultuur. De mens is ten diepste een cultuurwezen. Daar is een paradox mee verbonden: weliswaar vraagt het op individueel niveau een lange leertijd om de omvangrijke culturele setting in al zijn facetten op te nemen. Anderzijds ontwikkelt zich een sociale gemeenschap als geheel veel sneller dan een natuurlijke biotoop. Het moeten leren veronderstelt openheid. Openheid is voorwaarde voor veranderingen.

Een voorbeeld van Portmann illustreert dit. Het gaat om de vogeltrek van de zwaluwen: al vele eeuwen lang is dit natuurfenomeen hetzelfde gebleven. Daarentegen de gebouwen waarin ze overzomeren zijn nu totaal anders dan 100 jaar geleden, anders dan in de Middeleeuwen. Maar ook anders in Nederland dan in Duitsland, of in Denemarken. Gebouwen zijn een eminent voorbeeld van menselijke cultuur. Trouwens dat de jonggeboren vogels het eerst vertrekken naar Afrika om daar te overwinteren is natuurlijk een wonderbaarlijk voorbeeld van instinctgedragen gedrag. Het gevolg is echter dat veranderingen langzaam gaan.

Het eerste levensjaar van het mensenkind staat of valt met de aanwezigheid van een sociale baarmoeder zou je kunnen zeggen. Met een tweetal voorbeelden is dat nog eens extra duidelijk te maken:

  1. Ook het meest ‘natuurlijke’ vermogen van de drie, het rechtop lopen moet onder de enthousiasmerende stimulering van de ouders wordt aangeleerd. Kinderen die bij de wolven zijn opgegroeid, kunnen niet rechtop lopen, zij lopen voorover gebukt, min of meer op vier benen. Zij spreken geen taal, maar stoten geluiden uit.
  2. In de middeleeuwen was er een proef met zuigelingen. Zij werden prima op een functionele manier verzorgd, echter zonder een moment van Geen woord, geen streling, geen oogcontact. Binnen de kortste keren stierven al deze kinderen, weldoorvoed en wel.

Karma

Ik vind het fascinerend dat uitgerekend een individualistisch wezen als de mens zó aangewezen is op zijn medemens. Zelfs tot in lichamelijk welbevinden aan toe. Vanuit die overweging zegt Portmann: nog meer dan de dieren is de mens een sociaal wezen.   

En bovendien, zoals ik hiervoor al schreef, een wezen dat alles moet leren, terwijl de dieren door hun instinct gedragen worden.  

Zouden die specifiek menselijke kenmerken te maken hebben met het feit dat wij een individueel karma hebben? Oud karma uit een vorig leven met name met de bloedverwanten, en verderop in het leven nieuw karma met mensen die we dan tegenkomen? Dieren hebben dat allemaal niet. Voor mij is het reïncarnatiemodel prima verenigbaar met het christelijk geloof. Maar met of zonder reïncarnatie, het besef van een onsterfelijke geestelijke kern is in beide gevallen mede richtinggevend voor hoe het aardse leven samen met anderen op een zinvolle wijze gevoerd kan worden. Het aardse leven als een levenslange leerschool. Wat we hier doen heeft gevolgen voor het leven na de dood. De dood kan dan wel een opluchting zijn na bijvoorbeeld een laatste fase van lijden, een oplossing is het niet.

Intermezzo

Foetaliseringstheorie. Deze theorie ziet de mens als de jonggeblevene, als degene die zich terughoudt. Men spreekt dan van retardatie. De mens specialiseert zijn uiterlijke organen niet  in een klauw, snavel of bek, zoals de dieren wél doen. Noch heeft hij een vacht maar blijft hij naakt, zoals in de embryonale tijd. In Nederland bracht Louis Bolk (1866-1930) begin vorige eeuw deze theorie naar voren. Ook Jos Verhulst (1949- heden), Belgisch wetenschapper en antroposoof stelt dit in zijn boek ‘Der erstgeborene Mensch und höhere Tieren in der Evolution’

Portmann bestrijdt de algemeenheid van deze theorie ten stelligste. Ten eerste de al genoemde vroeggeboorte. Dan de al genoemde  steilere groeicurve in vergelijking met de naaste mensapen. Beide zijn het tegendeel van terughouding. Een ander voorbeeld is onze huid. In zijn naaktheid is het een bijzonder orgaan. Het is niet een verlies of een achterblijven (retardatie), maar het is een méér: het is een permeabel orgaan waarmee we stoffen kunnen opnemen, zoals vitamine D met het zonlicht bijvoorbeeld. Het is tevens een waarnemingsorgaan met veel meer huidzenuwen dan de vachtdragende dieren hebben. Samen met de handen, vooral de vingertoppen, vormt de huid als ontvangend en waarnemend orgaan, één geheel. In een menselijke ontmoeting vervult de huid een belangrijk rol. In eerste instantie tussen moeder en kind, later ook met anderen: met vrienden met een terloopse aanraking, tot een tedere streling aan toe in het liefdesspel. Bovendien nodigt de naakte huid uit tot een culturele oplossing bij uitstek: kleding.

Verder zijn de al eerder genoemde bekkenstand en s-vormige wervelkolom, die al in de 2e maand in hun specifiek menselijke vorm aangelegd zijn, voorbeelden van het tegendeel van terughouding.

Volgens Portmann is het juist een kenmerk van de menselijke ontogenese dat acceleratie en retardatie elkaar afwisselen en zelfs door elkaar heen lopen. Het verhaal is genuanceerd.

De drie menselijke vaardigheden nader bekeken

 1.Rechtop staan en lopen

Wanneer een kind het rechtop staan en gaan als basishouding verwerft, is dat een enorme mijlpaal, die het kind een grote vreugde geeft. Het heeft een archetypische dimensie: we komen, niet alleen letterlijk, in een andere houding ten opzichte van de wereld te staan. Al kruipende, maar ook als je of op vier ‘benen’ zou lopen, merk je dat het hoofd in de hele voortbewegingsdynamiek is opgenomen, waardoor goed waarnemen onmogelijk is. Bij de dieren is dit ook het geval. Zo moet zo bijvoorbeeld een luipaard even stilstaan om goed te kunnen waarnemen. Bij de rechtop gaande mens is het hoofd daarentegen altijd in rust. Dit is vooral veroorzaakt door de al eerder genoemde bekkenstand en s-vormige wervelkolom van de rug. Zelfs bij een hordenloop blijft het hoofd op een stabiele hoogte. Door een smalle spleet kan de hele race worden gevolgd zonder ook maar één moment de hoofden buiten het smalle beeld te zien verdwijnen.

Door de rechtopgaande basishouding kunnen we altijd makkelijk in de drie ruimterichtingen kijken: onder-boven, links-rechts en voor-achter. Met de twee naast elkaar geplaatste ogen kunnen we bovendien goed diepte zien. Bij de uilen staan de ogen ook naast elkaar, vinden wij ze daarom zo wijs?  

Behalve voor het waarnemen is ook voor het denken rust in het hoofd noodzakelijk: probeer maar eens een rekenopgave op te lossen, terwijl je met je hoofd heen en weer schudt. Om innerlijk actief te kunnen zijn, moet het hoofd dus uiterlijk in rust zijn.

Daarbij komt nog: in ons hoofd drijven de hersenen in het hersenvocht en wegen maar een fractie van hun eigenlijke gewicht. Je zou kunnen zeggen: ze zijn grotendeels bevrijd van de aardse zwaartekrachten. Is dat niet een voorwaarde om in contact te staan met de wereld van de ideeën?

Het rechtop staan is nog zoveel meer dan alleen een fysiek fenomeen: allerlei woorden uit de taal refereren daaraan: oprecht, rechtvaardig, rechtschapen, rechtspraak. Allemaal hebben ze een positieve morele gevoelswaarde.

Daarentegen is de uitdrukking: ‘ergens onder gebukt gaan’ het tegenbeeld. De zwaartekracht doet zich gelden en maakt een mens zwaarmoedig.

Tot slot: door rechtop te staan, staan we face to face met de medemensen. We laten onze kwetsbare buikzijde zien. De handen, geheel bevrijd van de voortbewegingsfunctie, vervullen een belangrijke rol in de ontmoeting met de ander. Het handen schudden als ritueel komt in veel culturen voor. Het elkaar aanraken tijdens een gesprek doen we vooral met de handen.

2.Spreken

Zoals het vermogen om rechtop te kunnen staan en te lopen al ver daarvoor op lichamelijk niveau is voorbereid - ik noemde al de bekkenstand en de s-vormige wervelkolom- zo heeft ook het kunnen spreken zijn lichamelijke voorbereiding gehad, namelijk de afdaling van het strottenhoofd in de keel. Hierover later meer. Alleen daardoor wordt een verfijnd en gearticuleerd spreken mogelijk en ook nog eens gedifferentieerd in de vele duizenden talen en dialecten wereldwijd.

Een aantal dieren hebben een behoorlijk arsenaal aan geluiden waarmee ze hun innerlijke gesteldheid aan hun soortgenoten kunnen meedelen. Sommige zijn ook in staat zijn om nieuwe klanken te leren, ja zelfs woorden. Opmerkelijk genoeg zijn de hogere primaten, zoals chimpansees en gorilla’s, in vergelijking met olifanten en walvissen heel beperkt in hun verbale vermogens, noch kunnen zij in vergelijking met bepaalde vogels, zoals ara’s en papegaaien, nieuwe klanken bijleren, laat staan menselijke woorden.

Taal is ten diepste iets anders dan geluiden voortbrengen. Ook wanneer dieren een rijk geschakeerd areaal aan geluiden kunnen voortbrengen is dat nog geen taal. Taal heeft een abstractielaag die los staat van plaats en moment. We kunnen een herinnering vertellen aan iemand over een situatie waar die ander nooit is geweest.

Het aantal talen wereldwijd is ongekend, om over de dialecten maar te zwijgen. Mijn moeder is Limburgse en mijn vader Brabander, thuis spraken we zijn dialect omdat we in Noord-Brabant woonden. Op de middelbare school die in het grensgebied van Noord-Brabant en Limburg lag, kon ik meteen horen uit welke omgeving iemand kwam. Maar zelfs wist ik ook in welk dorp iemand woonde, al naar gelang welke specifieke woorden voorbij kwamen. Die fijne verschillen verdwijnen in een snel tempo. Niet alleen qua dialecten, maar ook hele talen. Er gaat een ongekende uniformeringsbeweging door de wereld. Is dat erg? Ik vind van wel, omdat een taal of dialect niet alleen een gemeenschap veronderstelt, in je eentje kun je geen taal instandhouden, maar op zijn beurt werkt het zelf ook gemeenschapsvormend. Verdwijnt een taal, dan verdwijnt onomkeerbaar de gemeenschap die daar mee verbonden was. Bovendien heeft iedere taal of dialect zijn eigen klankkleur en eigenaardigheden die het zijn charmes geeft.

Het woord heeft in de Proloog van Johannes een machtig aura. Het is het voertuig van de scheppende God die de wereld heeft gemaakt. Het is nog steeds zo dat wij mensen, als uniek talig wezen, in het klein met woorden hele werelden kunnen doen ontstaan, al is het maar denkbeeldig. Woorden kunnen mensen diep raken, zowel ten goede als ten kwade. Vooral in het intermenselijk verkeer is taal hét medium om te communiceren (communio = gemeenschap). Goethe, een taalkunstenaar van de buitencategorie, zei het zo: ‘Verkwikkender dan licht: het gesprek’.

Lichamelijk gezien is het een wonder dat twee zulke verschillende organen als het oor en de stembanden zich gezamenlijk hebben ontwikkeld. Immers zonder ontvangstorgaan heeft een zendorgaan geen zin, en vice versa. Daarin verschilt de mens niet van de dieren. Echter een echt gesprek is een specifiek menselijk vermogen. Het is een heen en weer weven van spreken en luisteren. Echt luisteren maakt mogelijk dat iemand zich gehoord voelt en zo ontstaat echte ontmoeting. Het is een activiteit die zijn zwaartepunt heeft in ons lichamelijk midden. Het rechtop staan en het gebaren maken met de handen werken daar allemaal in mee.

De dichtkunst is het esthetisch hoogtepunt van een taal. In een gedicht zien we het wezen van een taal, de uitlopers van de taalgeest, in optima forma. Dan is het Nederlands zeker niet een soort dialect van het Duits, zoals ik dat in Duitsland wel eens te horen krijg. Zeker met  een metrisch ritme begint het te dansen en te klinken. Gedichten moeten zeker ook hardop gelezen worden. Het gaat in de richting van zingen, van muziek.

Uit Ballade van een gasfitter, een gedicht van Gerrit Achterberg, het volgende fragment:

Bij ‘t krieken van de dageraad op pad 

de slaap nog in de ogen, schijnen mij

het eerste uur de staten vogelvrij,

al heeft het einddoel ergens postgevat.

Een ongekend veilig gevoel is dat.

Deze regels begeleidden mij als twintigjarige een jaar lang op mijn reis door Frankrijk. Het paste perfect bij mijn toenmalige levensgevoel.

De meest expressieve uiting van onze stem is het zingen. In alle menselijke culturen wordt gezongen, veel gezongen. In het dagelijks leven, bij het werk op het land, maar ook als dragend onderdeel van rituelen ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen in het leven.

3.Denken

Het meest verborgen van de drie specifiek menselijke vermogens is het denken. Toch staan we ook met het denken in verbinding met de buitenwereld. Met de medemensen: hoe vaak zegt een ander niet iets in dezelfde seconde dat ik het denk? En ook verder: tot en met de ideeënwereld aan toe, je zou het ook de geestelijke wereld kunnen noemen. In het spraakgebruik zeggen we dan: ‘het schiet me niet te binnen’ of ‘ik kan er niet opkomen’ en ook ‘een inval krijgen’. Al deze uitdrukkingen die de taalgeest ons geeft, duiden op een wereld buiten ons, waarmee we in verbinding kunnen staan. Je zou onze hersenen, drager van ons denken, met een radio kunnen vergelijken, die met een zender in verbinding staat. In ieder geval niet met een computer of een gecompliceerde klok zoals ze in vorige eeuwen wel eens dachten. In vergelijking met de dieren hebben wij een ongelooflijke grote hoeveelheid hersenen. Een derde van alle zuurstof die we inademen, gaat daarheen. We kunnen wel drie weken zonder eten, drie dagen zonder water en maar drie minuten zonder zuurstof. Anders treedt er onomkeerbare schade op, met name bij de hersen, zij hebben van zichzelf een laag levensniveau en hebben daarom die intensieve verzorging met zuurstofrijk bloed nodig. Door het lage levensniveau en de inbedding in de rustpool, het hoofd, kunnen wij heel snel en verfijnd denken.   

Er zijn veel soorten van denken. Zich iets herinneren is een manier van denken, zich een voorstelling maken een andere. Een som uitrekenen is weer anders etc. Trouwens tijdens het rekenen kan ik mezelf innerlijk waarnemen, hoe doe ik dat? Het is net als het zelfreflecterend vermogen dat de mens eigen is, waarbij je als het ware de lichtbundel van de mijnwerkerslamp op jezelf richt. De vraag is dan wie doet dat? Blijkbaar hebben we een gelaagd innerlijk in onze ziel. Onze moraliteit, ons ge-weten hangt hier ook mee samen: met weten. Al denkende kan ik uit het hier en nu treden, en me tegenover mijzelf stellen.

Het denken staat daarbij in nauw contact met het voelen. Zó rationeel zijn we nu ook weer niet, al zijn ook daar grote individuele verschillen. Vanaf het moment dat we opstaan begint  in ons hoofd het associatieve denken: een waarneming van mijn eigen lichamelijkheid, of iets uit de buitenwereld wordt waargenomen en samen met het gevoel beoordeeld. Zo bepalen we voortdurend onze verhouding tot onszelf en tot de wereld. Dat loopt zo gesmeerd en snel dat we helemaal niet in de gaten hebben hóe we het doen. Door te mediteren en ‘leeg’ te worden van binnen, merken we pas hoe moeilijk het is om deze altijd doorgaande associatieve gedachtenstroom tot rust te brengen.

 

De Denker, Auguste rodin

Hebben we extra wilskracht in het denkgebied nodig, bijvoorbeeld bij een tekst schrijven, dan halen we de ledematen erbij en plaatsen onze hand tegen het hoofd.  Wat laat het beeld zien?

Een naakte gespierde man die voorover gebogen zit. Het hoofd met zijn hand ondersteunend, de vingers hangen slap. De hand van de rechterarm steunt op zijn beurt op het linkerbeen. De benen zijn opgetrokken.

Wat drukt het uit? De Denker maakt een naar binnen gekeerde indruk, niet heel onlogisch als je echt aan denken bent. Wat vooral indruk op mij maakt is dat heel het krachtige lichaam in dienst staat van het denken. Zoals de armen en benen de wilspool van het lichaam vormen, zo is dat de kin op zijn beurt van het gezicht. Staan normaal gesproken benen en armen, voeten en handen, in dienst van de uiteenzetting met de buitenwereld, in het voortbewegen of in iets grijpen, nu zijn ze stil, werkeloos, en al hun energie stroomt via de kin naar het hoofd dat in volledige uiterlijke rust is. Zowel de rechter- als linkerzijde doen mee, de rechterhand steunt immers op het linkerbeen. Toch is het linkerbeen het meest dragend: immers beide armen rusten daarop. Het linkerbeen staat in verbinding met de rechter hersenhelft. Linker- en rechter hersenhelft zijn twee werelden van verschil. Ian Mc. Gilchrist, hedendaags Engels filosoof, heeft daar meerdere boeken over geschreven. Kort samengevat: de rechter hersenhelft is ruimdenkend en heeft het overzicht(5).

Terug naar Rodins denker: Blootsvoets en niet door schoeisel onderbroken, staat hij in verbinding met de aarde, een kale rotsachtige aarde. Daarmee een koele helderheid benadrukkend. Door zijn naaktheid en de totale houding met het gebogen hoofd en opgetrokken benen doet de gehele gestalte me denken aan een embryo, de oergestalte van de voorgeboortelijke mens.

                            Afb. 3 De Denker, Auguste Rodin (1840-1917)

De drie menselijke vermogens als eenheid

Het is wonderbaarlijk hoe de drie menselijke vermogens: rechtop staan en gaan, spreken en denken op elkaar inwerken, elkaar versterken, eigenlijk een drie-eenheid met elkaar vormen. Alles begint met ideeën en gedachten, die stollen zich in woorden als een soort van tussenfase. Uiteindelijk zetten we ze om in daden en geven daarmee de wereld vorm. Daarom zijn gedachten en woorden zo van belang. Spreken we bijvoorbeeld voortdurend in termen van ‘genetische diversiteit’, of ‘genetisch bepaald’ als we het hebben over plantdiversiteit en erfelijke invloeden dan rollen we eigenlijk de rode loper uit voor een genetisch handelen. Het denken in termen van genen is een ideologie die het belang van genen eenzijdig benadrukt.

Intermezzo

Een bijzonder fenomeen is het zogen van het mensenkind bij de moeder. In een van mijn voordrachten, met als thema voeding, combineer ik inzichten van zowel Rudolf Steiner als Adolf Portmann.(6)

Wanneer Steiner in de laatste voordracht van de zogeheten landbouwcursus over voeding komt te spreken, stelt hij dat we ons op drievoudig wijze kunnen voeden:  door het eten, door de ademhaling en door de poorten van de zintuigen, zoals de ogen. Dat we ons voeden door te eten lijkt me evident. Dat we met de ademhaling substanties inademen waarmee we onze lichamelijkheid opbouwen, zoals CO2, is ook goed voor te stellen. Bij de zintuigen, niet alleen het oog maar ook de permeabele huid is er een, is in ieder geval de opname van vitamine D een voorbeeld van voeding.

De vraag is natuurlijk überhaupt in hoeverre het bij voeding enkel en alleen om een fysiek proces gaat. De ziel doet ook mee. Het produceren van mondsappen alleen al bij het denken aan een lekker gerecht getuigt hier van. Dat echter de samenstelling van die mondsappen varieert al naar gelang de samenstelling van het voorgestelde gerecht, is echt heel bijzonder.

Bij Portmann lezen we dat alle zoogdieren, en ook de mens, bij de geboorte het strottenhoofd hoog in de keel hebben zitten. Dat maakt het mogelijk om gelijktijdig te kunnen drinken en ademen zonder zich daarbij te verslikken. Tijdens het zogen is er oogcontact tussen moeder en kind. Dat is een specifiek menselijk vermogen: geen enkel dier is daartoe in staat, ook niet de primaten.

We zien dus het bijzondere feit dat de mensenbaby, als enige, in staat is om de drie vormen van voeding simultaan tot zich te nemen. Waarbij je je voor kunt stellen dat het oogcontact ook voeding voor de ziel is: het is een warme omhullende eenheid van moeder en kind.

Maar het wordt nog eigenaardiger: alleen bij de mens gebeurt er iets met het strottenhoofd. Na een aantal maanden zakt dat namelijk langzaamaan dieper de keel in. Dan gaat dit simultane drievoudige voedingsvermogen verloren: drinken en ademen gaat niet meer gelijktijdig. Bij alle dieren blijft het strottenhoofd wél hoog in de keel. Wat zou de reden kunnen zijn voor de afdaling? De mens moet leren spreken en wel gearticuleerd en heeft daarbij een klankruimte nodig in zijn keel. Een hoog strottenhoofd zou daarbij in de weg zitten. Dieren hoeven niet te leren spreken, laat staan gearticuleerd, en daar vindt geen afdaling plaats.

Puberteit

Na het eerste levensjaar gaat het mensenkind verder met het opnemen en verinnerlijken van de enorme cultuurschat met zijn waarden, normen en gebruiken. Sowieso gaat het leerproces door tot aan het 21e levensjaar, de drempel van de volwassenheid. Deze lange jeugdfase kan in verschillende stadia worden onderverdeeld. Zo is er eerst de dromerige kindsfase waarin de wereld als sterk magisch beleefd wordt. Het is de sprookjesfase waarbij de zon een levend wezen is die de aarde vergezelt. Iedere dag komt ze op en gaat ze onder. Het is verwoestend voor de kinderziel om te zeggen: ‘Nee Jantje, het lijkt maar zo dat de zon opkomt en ondergaat. In waarheid draait de aarde om de zon.’ Er is niets dat deze intellectuele abstracte waarheid met een belevenis kan ondersteunen. Voor iedere plant is het opkomen en ondergaan van de zon de reële werkelijkheid. Filosofisch gezegd: met Copernicus is Ptolemeus niet achterhaald. Beide, heliocentrisme en geocentrisme, hebben hun bestaansrecht, zo zegt Portmann het. Een van de grootste fouten in het onderwijs is de voortijdig intellectualisering. Pas bij de puberteit, als het intellectuele denken als eigen behoefte opkomt, is het gepast om abstracte kennis over te dragen. In het Vrije School onderwijs is dit weten richtinggevend voor de inhoud van de lessen.

De puberteitsfase waarin alles betwijfeld en bevraagd wordt, is een opmerkelijke periode in het mensenleven. Niet alleen innerlijk maar ook uiterlijk. Het meest opvallend is de snelle lengtegroei in de ledematen, de puberale strekkingsfase, die überhaupt in het dierenrijk niet voorkomt. Zó snel dat de eigenaar vaak niet zo goed weet hoe daar mee om te gaan, armen en benen bungelen er aan. De puber struikelt over zijn eigen onhandigheid, loopt gekromd alsof hij hoogtevrees heeft. De gedrongen gestalte van het jonge kind wordt nu vervangen door de  lengteverhoudingen van de jongeling. Een ontmoeting op ooghoogte wordt nu mogelijk, al is het vooralsnog vooral lichamelijk. Zielsmatig moet er nog heel veel gebeuren.

Nieuwe werelden worden onderzocht en verkend waarbij de onderzoeker zelf ook verandert. Waar is het houvast? De peergroep van leeftijdgenoten is nu als referentiekader belangrijker dan de ouders. Het is een moeilijke fase, met veel gevaren en verlokkingen. Zeker in onze tijd. De twijfel aan alles, die in die fase volstrekt normaal is, kan tot daden leiden die men later gaat berouwen. Een extreem voorbeeld is het willen veranderen van het geslacht. Afgezien van het feit dat een geslacht biologisch gezien niet veranderd kán worden, staan diverse moderne middelen hiervoor ter beschikking, zoals operatieve ingrepen en hormonale medicijnen die levenslang geslikt moeten worden. Dit alles heeft veel onomkeerbare gevolgen, zoals het onvermogen om nog kinderen te kunnen krijgen, verminderde libido, grotere kans op ziektes op latere leeftijd en de teleurstelling als men merkt dat geslachtsverandering biologisch gezien niet mogelijk is: een man kan geen vrouw worden en vice versa. Terecht brengen een aantal feministes naar voren dat vrouwen niet gebaat zijn bij het feit dat deze transpersonen in voorheen exclusief voor vrouwen toegankelijke ruimten mogen komen. Het heeft volgens mij te maken met een eenzijdig maakbaarheidsdenken dat ik al aan het begin noemde, in dit geval op de mens zelf gericht: het is transhumanisme. Bij vrijwel alle pubers is de twijfel trouwens van voorbijgaande aard.

Behalve de lengtegroei die iedere puber doormaakt, treedt er nu voor het eerst een sterke  differentiatie op, en wel in twee opzichten.

  1. De rassen gaan zich nu sterk differentiëren. Pygmee en Soedanneger, om maar eens twee uitersten te noemen qua lichaamsgrootte, die voorheen min of meer gelijk van postuur waren, beginnen nu grote verschillen te vertonen. Ook andere kenmerken verschillen sterk van het ene ras of het andere, zoals de mate van beharing, de consistentie van de haren (krullerig of sluik) etc.
  2. De tweede en meest belangrijke differentiatie is die tussen man en vrouw. Veruit de meeste verschillen zijn opvallend genoeg heel zichtbaar, daarmee het ontmoetingsspel tussen man en vrouw ondersteunend. Schouderpartij en bekkengebied zijn uitgesproken verschillend. De vorming van borsten bij de vrouwen en de verdere uitgroei van de penis bij de mannen zijn een ander verschil. Eventueel niet ingedaalde testikels dalen vaak spontaan nu wél in. Ook het verschil in lichaamsbeharing treedt nu duidelijk tot verschijning met de baardgroei bij de jongens. Niet alleen zichtbaar, maar hoorbaar treedt er nu een sterke differentiatie op: de jongens krijgen de baard in de keel, hun stem wordt ineens lager, minder hemels maar aardser van karakter.

In vergelijking met de indigene culturen, voor zover ze nog bestaan, vindt in de westerse wereld qua lichamelijke ontwikkeling een vervroeging plaats: de menstruatiecyclus bij de meisjes en de eerste zaadlozing bij de jongens. Portmann wijdt dat aan de te vroege wekking van de intellectuele vermogens.(7) Daartegenover staat een vertraging van het echt volwassen worden. De adolescentie duurt veel langer, tot soms wel ver in de twintiger jaren. Dit uiteenlopen van fysieke lichaamsprocessen enerzijds en geestelijke rijpheid anderzijds is de oorzaak van veel psychische klachten bij de jongeren. Het is zoals Jeanne Meijs een van haar boeken als titel meegaf: ‘Puberteit, een smalle weg naar innerlijke vrijheid’.

Ouderdom

Als eerste, voor ik het vergeet: de menopauze. Die komt alleen bij de mens voor, de vrouw uiteraard. In het dierenrijk bestaat het niet. Het opent een geheel nieuw perspectief op deelname aan de gemeenschap. Niet langer de zorg voor het eigen nageslacht, maar er ontstaat een vrijruimte, juist in die fase waarin geestelijke en culturele waarden steeds belangrijker worden.

Bij de nadering van het zeventigste levensjaar komt de ouderdomsfase in zicht. Ook die wijkt af van de dieren. Dertig tot veertig jaar oud worden is bij de grote zoogdieren de regel, meer dan vijftig de grote uitzondering. Ook bij goede verzorging in een dierentuin is dat het geval. De mens kan makkelijk tachtig jaar worden. Individueel gesproken wordt een mens geen dag ouder dan bijvoorbeeld duizend jaar geleden. Ook niet in de rijke westerse landen met zijn omvangrijke gezondheidssysteem. In de statistieken gaat het altijd om de gemiddelden. Inderdaad, gemiddeld genomen worden we ouder dan honderd jaar geleden. Maar dat hebben we vooral te danken aan een betere hygiëne, dat resulteerde in een (veel) lagere kindersterfte en minder overlijdens van vrouwen in het kraambed. We worden daarbij niet in gezonde lichamelijke conditie oud: veel ziekten worden door de toegenomen welvaart veroorzaakt. In de Verenigde Staten neemt de levensverwachting zelfs af.

In menig opzicht lijkt de ouderdom op de vroege kindheid. Bij de laatstgenoemde hoef je nog niets, er zijn nog geen verplichtingen. Het leven is een en al spel. Bij de ouderdom hoef je niets meer, men is vrijgesteld van allerlei verplichtingen die men daarvoor wél had. Dan kan het spel weer een prominentere rol gaan spelen in het dagelijks leven. (8) De dankbaarheid voor het feit dat men überhaupt bestaat: de een die er net is, de ander die weet dat hij er niet lang meer zal zijn. Het is als een cirkel die rond is.

In de kunst zijn nogal wat schrijvers of schilders die op hoge ouderdom hun belangrijkste werk hebben gemaakt, zoals Sophokles bij de Grieken, en de Italiaanse schilder Titiaan. Maar ook dichter bij huis: Manfred Klett, een van mijn leermeesters die pas op zijn 88e zijn eerste boek schreef. (9)

In de zogeheten blue zones, meestal geïsoleerde traditionele gemeenschappen met een rustig regelmatig leven, voedsel uit eigen streek en waar ouderdom in aanzien staat, komen honderdjarigen geregeld voor, bovendien vaak in goede gezondheid. Maar niet alleen daar, ook in streken waar men het niet verwacht, zoals in het volgende voorbeeld in Afrika.

Intermezzo

Het is 2008. David van Reybrouck, Belgisch schrijver, is op weg naar de voormalige Belgische kolonie Congo om daar een boek over te gaan schrijven. (10) Onderweg vraagt hij zich af of hij nog wel mensen gaat tegenkomen die uit eigen herinnering kunnen vertellen over de koloniale tijd. Immers begin jaren zestig is Congo onafhankelijk geworden en Afrikanen worden gemiddeld nauwelijks ouder dan veertig jaar. Wie schetst zijn verbazing als hij binnen de kortste keren iemand ontmoet, Papa Nkasi, die over zijn jeugdherinneringen spreekt van de negentiger jaren, van de 19e eeuw welteverstaan! Hij beweert in 1882 geboren te zijn en is dus honderdzesentwintig jaar oud. Bij check en dubbelcheck blijkt alles te kloppen. Uit eerbied voor deze bijzondere man, prijkt op de voorzijde van het boek een foto van hem.

Goede gezondheid is niet langer vanzelfsprekend naarmate men ouder word. Ziekte en afhankelijkheid van de zorg van anderen, die sowieso onderdeel van een mensenleven zijn, komen dan steeds vaker voor. Het naar mijn mening doorgeschoten ideaal van individuele onafhankelijkheid schiet dan tekort om zich een houding te geven en zichzelf te blijven respecteren. De dood lijkt dan een uitweg te bieden, een schijnoplossing omdat immers de geestelijke kern van ons wezen blijft bestaan en in een nieuwe zijnstoestand overgaat. Het kan troostrijk zijn om eens te kijken naar diegenen die hun leven lang afhankelijk zijn van de zorg van anderen en daar niet gebukt onder gaan, maar integendeel  in het sociale raderwerk van de maatschappij door hun zo zijn een verbindende rol vervullen, net zoals de kleine kinderen dat ook kunnen doen.

Het toenemen van lichamelijke ongemakken in de ouderdom is als een voorbode op het grote afscheid waarbij uiteindelijk de lichamelijkheid wordt afgelegd.

De menselijke levensloop, afsluitende opmerkingen

Thema van dit essay is de fysieke dimensie van ons bestaan en dan met name het specifiek menselijke in vergelijking met de dieren.

Portmann zegt het zo: de hele menselijke ontogenese, zijn fysieke ontwikkelingsgang dus, staat in dienst van het feit dat hij drager is van een individuele geest. Dat is buitengewoon spannend wat hij daar zegt en het sluit wederom aan bij Steiner: de geest is het primaire, de geest is er het eerst. Daar komt alles uit voort.

Het lagere gaat dus niet vooraf aan het hogere, zoals de materialistische evolutietheorie zich dat voorstelt. Zowel in het klein, een individueel mens, als in het groot, de ontwikkeling van de mensheid als geheel, is de geest de organiserende instantie. (11)

Opvallend daarbij in de hele levensloop van de mens is de verhouding tussen individu en gemeenschap. Voorop staat: een individueel mens moet deel uitmaken van een gemeenschap. Echter hoe die gemeenschap er uit ziet, verandert gedurende zijn leven. Zijn in de beginfase de bloedverwanten allesbepalend, in de puberteit en adolescentie komt daar de peergroep van de medepubers als zielenverwanten bij. In de laatste fase van het leven treden de contacten met geestverwanten, mogelijk met iedereen, meer dan ooit op de voorgrond.

Tijdens het middendeel van de menselijke biografie, tussen jeugd en ouderdom, spelen alle drie de verwantschappen door elkaar heen. Immers men krijgt kinderen, heeft op het werk en in de samenleving met allerlei verschillende mensen te doen, waarbij zowel een zielen- maar ook een geestverwantschap kan worden ervaren.

Het zoeken van zingeving hoort bij het menszijn. Op voorhand is het niet zeker of dat lukt. Algemene antwoorden lijken niet meer te werken. De mensheid als geheel evolueert ook. De vrijheid die daardoor ontstaat, kan ook een grote leegte teweegbrengen en een mens doen vluchten in allerlei verslavingen. Of een leven is gelukt, heeft vooral hier mee te maken: heeft men zijn eigenlijke voornemen voor dit leven, dat voorgeboortelijk is besloten, ten uitvoer gebracht? Een volmondig ‘ja’ zal eerder de grote uitzondering zijn en bovendien is het sowieso de vraag of toegang mogelijk is tot deze laag van de menselijke existentie. ‘We willen het leggen in Gods hand’ zo klinkt het dan in het Kerstspel wanneer Jozef en Maria zich opmaken voor de reis en Jozef zich zorgen maakt of het financieel allemaal wel gaat lukken. De reis staat daarbij als beeld voor het aardse bestaan.

Ieder mens komt in zijn leven op de spreekwoordelijke ‘kruispunten der wegen’ te staan en moet keuzes maken. (12) Of het goede keuzes waren, weet iemand pas achteraf.

Het maakbaarheidsdenken dat ik aan het begin van mijn voordracht noemde en het specifiek menselijke vermogen zich telkens te kunnen vernieuwen, vooronderstellen beide een oneindig menselijk ontwikkelingspotentieel. Ik meen dat een houding van eerbied en dank, gesteund door inzicht, noodzakelijk is om bescheiden te blijven en niet te denken dat wij gelijk zijn aan God en het ook wel zonder Hem kunnen.

Ja, we zijn speciaal, Portmann stelt het samenvattend zo: ‘wie de mens wil duiden, moet groot over hem denken’.  

En ja, we hebben de ander, de medemens nodig. Meer dan welk ander aards wezen dan ook zijn wij sociaal. Dat is de horizontale dimensie in ons bestaan. En ja, we hebben ook een verticale dimensie in ons bestaan: wij verbinden, rechtopstaand, hemel en aarde.

Geworteld zijn

Gelukkig zijn er veel denkers en schrijvers geweest die als gids kunnen fungeren. Behalve Steiner en Portmann, die ik hier al vaak aangehaald heb, wil ik ter afsluiting Simone Weil, frans filosofe uit de vorige eeuw, citeren: (13)

Geworteld zijn is misschien de belangrijkste en meest miskende behoefte van de menselijke ziel. Het is ook een van de moeilijkst definieerbare. Een mens wortelt doordat hij daadwerkelijk, actief en op natuurlijke wijze deelneemt aan een gemeenschap die bepaalde schatten uit het verleden levend houdt en gevoelens over de toekomst koestert. Met dat op natuurlijke wijze deelnemen bedoel ik de verbondenheid met plaats, geboorte, beroep of omgeving. Elk mens heeft behoefte aan velerlei wortels omdat hij bijna alles van zijn morele, intellectuele en spirituele leven moet opvangen uit de omgevingen waarvan hij op natuurlijke wijze deel uitmaakt’.

Noten

1. Boeken van Adolf Portmann die de bijzondere positie van de mens thematiseren zijn: ‘Biologische Fragmente zu einer Lehre von Menschen’ en ‘Biologie und Geist’.

2. Zie de website embryo.nl van Jaap van der Wal. Gepensioneerd wetenschappelijk medewerker van de universiteit van Maastricht. Hij is zowel embryoloog als pathaloog-anatoom.

3. Zie op website renegroenen.nl mijn blog: ‘Bestuiving, zaad, kiemplant en bevruchting’.

4. Erich Blechschmidt, Duits embryoloog. Zijn boek ‘Humanembryologie. Prinzipien und Grundbegriffe’ is een basiswerk.

5. Ian Mc. Gilchrist, Engels hedendaags filosoof. Zijn beroemdste boek: ‘The Master and the Emissary’ gaat over de twee hersenhelften. In onze tijd is de linker hersenhelft, die eigenlijk de helper (the emissary) is, de dominante leider van ons handelen geworden: op een analytische, technische wijze treden wij de wereld tegemoet, het is toegepast van karakter. Daarentegen staat de rechter hersenhelft, die als eigenlijke meester het overzicht heeft, grotendeels buitenspel. De problemen in onze tijd gaan we met techniek oplossen. Terwijl ze meestal door techniek veroorzaakt zijn. Het drama is dat de linker hersenhelft dat helemaal niet in de gaten heeft, het overzicht daartoe heeft het helemaal niet. We hebben beide complementaire hersenhelften even hard nodig.

6. Van levensmiddelen naar voedingsmiddelen, verdieping in het voedingsproces van de mens’. Lezing op 8 juni 2023 gegeven voor Antroposana, afdeling Eindhoven. Ook verschenen als brochure in de serie Gezichtspunten nummer 84. Uitgegeven door: Stichting Sociale Gezondheidszorg, Dronten.

7. Ook de toegenomen lengtegroei van de laatste honderd jaar wijd Portmann aan de (te) vroege intellectualisering. In de 19e eeuw toen het verschil tussen stad en platteland nog heel groot was, waren de stadsjongens langer dan de plattelandsjongens. Juist bij de jongens zijn over langere tijd en van heel grote aantallen de precieze lengtecijfers bekend vanwege de militaire dienstplicht. Naarmate de afstand tussen stad en platteland afneemt door auto en andere communicatiemiddelen is ook dit verschil verdwenen. Het stadse leven breidt zich nu ook uit over het platteland. Portmann ziet dit bepaald niet als een positieve ontwikkeling. Het is een onevenwichtigheid van het lichaam dat voor veel rugproblemen zorgt.

8. Ook een verschil met de dieren is de enorme betekenis van het spel in de menselijke cultuur, zelfs daar waar je het niet zou verwachten. Zoals in de rechtszaal, waar eiser en verdediger en rechter ieder hun rol ‘spelen’. Johan Huizinga heeft er een monumentaal werk over geschreven: ‘Homo Ludens’. Dat betekent de spelende mens.

9. Manfred Klett (1933-2024), ‘Von der Agrartechnologie zur Landbaukunst’ uit 2021. In 2024 in een Nederlandse vertaling verschenen.

10. David van Reybrouck, Het boek heet: ‘Congo. Een geschiedenis’ uit 2010. In 2018 beleefde het zijn 39e druk!

11. In de antroposofische evolutieleer begint de aardeontwikkeling met een warmtefase, waarin de voorloper van de mens al aanwezig is. De verdere ontwikkeling is zowel een verdichting en een differentiatie. De aap is de laatste die uitgezet wordt om de mens te kunnen laten worden die hij nu is, rechtop lopend en wel.

12. Uit het evangelie volgens Mattheüs, 22:1-14, de gelijkenis van de koninklijke bruiloft.

13. Simone Weil (1909-1943). Uit haar boek: ‘Verworteling’ geschreven in de laatste maanden van haar leven. Na de oorlog postuum door Albert Camus uitgegeven, net als al haar overige werk van haar omvangrijke oeuvre.

 

 

 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.