24. Simone Weil, hoedster van het licht.

Gepubliceerd op 8 januari 2026 om 23:17

 

Inleiding

Simone Weil leefde begin vorige eeuw, van 1909 tot 1943. Ze groeide op in een agnostisch milieu in Parijs. Haar maatschappelijke betrokkenheid was ongekend, volgens Simone de Beauvoir, een generatiegenoot, 'klopte haar hart voor heel de wereld'. Dat zij uitgerekend in een tijdsbestek opgroeide met de opkomst van twee  mensverachtende samenlevingsvormen: het communisme in Rusland en het facisme in Duitsland (ook Italië en Spanje) is dan ook saillant. Ze heeft over die ontwikkelingen een uitgesproken mening en zowel in woord als daad maakt ze dat kenbaar. Door een drietal lotservaringen eind jaren dertig komt ze in een spiritueel spoor. Haar filosofie verdiept zich enorm. Plato, maar ook christelijke mystici zoals Meester Eckhardt en Johannes van het Kruis  worden haar grote inspiratoren. Volgens Albert Camus, frans agnostisch filosoof, is Simone Weil 'de enige echte grote geest van onze tijd'. Ondanks haar korte leven heeft ze een enorm oeuvre achter gelaten, dat in zijn geheel pas na haar dood zal worden uitgegeven, met name door Albert Camus. Wanneer ze maar kon wilde ze fysiek werk doen, in een automobiel-  of electrofabriek, maar ook op het land. Ze had een heel frele gestel, had altijd hoofdpijn (migraine) maar desondanks kon ze met de andere werkers meekomen. Voor zover ik kan overzien is een klein deel van haar oeuvre aan de landbouw gewijd. En zelfs als ik haar opgeschreven ideeën over planten en het natuurlijke leven er bij op tel, blijft het nog steeds vrij gering in omvang. De inhoud spreekt mij echter dusdanig aan dat ik er graag een blog aan wil wijden. Door haar besef ik weer eens te meer met welke dimensies we in de landbouw te maken hebben.

 

Landbouwkundige opmaat

De landbouw is sinds de laatste honderd jaar totaal georganiseerd naar industriële principes: het gaat daarbij om een vervangen van menskracht door machines, een vervangen van natuurlijke hulpbronnen van het eigen bedrijf door aankoop van synthetische of anderszins kunstmatige hulpbronnen van elders. Dit alles brengt een enorme kapitalisering van de landbouw met zich mee: er moet (veel) geld geleend worden bij de banken. Alle boeren en tuinders worden structureel schuldenaar: mislukkingen kan men zich niet meer veroorloven en het streven naar zekerheid brengt verdere maatregelen met zich mee: een structureel toepassen van bestrijdingsmiddelen en een nog intensiever gebruik van allerlei hulpmeststoffen om het groeiproces ‘under control’ te hebben. De kassen met zijn kunstmatige aarde (steenwolmatjes), de bemesting met in water opgeloste voedingszouten als een infuus, de aanpassing van het CO2-gehalte in de atmosfeer om de planten sneller te laten groeien, het verwarmen van de lucht om de seizoensinvloeden uit te schakelen en in hetzelfde kader; het bij belichten met Ledverlichting nu die lampen zo energiezuinig zijn, dat alles is de ultieme uiting van dit heerserdenken. Over deze vorm van landbouw wil ik het hier verder niet hebben, al was het alleen maar om dat het maar een tijdelijke vorm is van onze voedselvoorziening; zowel de kwaliteit van het voedsel dat er uit voortkomt en ook de toestand van de bodems die op deze manier gebruikt worden zijn een belasting voor mens en aarde. Het is niet duurzaam, dus niet voor de lange termijn geschikt.

De biologische landbouw die een alternatief biedt, plaatst een aantal aan het natuurlijke leven afgelezen principes daar tegenover: diversiteit, cycliciteit, veranderlijk, lokaal, duurzaam, in partnerschap met de dieren en planten. Ook de tijdsdimensie speelt een expliciete rol: het woord ‘duurzaam’ drukt een verantwoordelijkheidsgevoel uit dat zich uitstrekt tot en met het nageslacht. Bij dit alles speelt techniek en efficiëntie weliswaar een rol, maar is duidelijk minder het allesbepalende principe bij de praktische uitvoering dan bij het gangbare model het geval is.

Toch ontbreekt er iets fundamenteels in het ecologische verhaal, en die naar mijn mening de reden vormt dat de biologische landbouw steeds meer door het gangbare input-output denken zal worden geïnfiltreerd, namelijk het geestelijke, het spirituele, of nog concreter, het geloof in God, in Christus. In het discours dat we als hedendaagse westerse mensheid met elkaar hebben, zijn een aantal waarden impliciet aanwezig. De waarde die daar duidelijk niet bijzit is het Christelijk geloof, die wordt linea recta naar het privédomein verwezen, die blijft, zoals Rutte dat ooit zei: ‘achter de voordeur’. Ook bij een specifiek onderwerp als de landbouw is dat niet anders.

Om meerdere redenen is dat een groot verlies:

  • De mens heeft een intrinsieke behoefte om iets te aanbidden. Op de troon zit nu, anno 2026 niet een geestelijke entiteit (bijvoorbeeld God), maar geld of macht.
  • Het erkennen en het ervaren van een geestelijke wereld staat niet in contrast met een goed en doeltreffend ondernemerschap als boer of tuinder.
  • Onze hele westerse beschaving staat op de schouders van tweeduizend jaar Christendom en ondanks de verschuiving naar allerlei beleden geloofsrichtingen, waaronder ook het materialisme, is het onderliggende waardenpatroon nog steeds door en door christelijk.
  • Bij een blik naar binnen ontwaren we in onszelf een zijnsniveau dat een puur mechanisch verklaringsmodel ontstijgt. Steeds meer denkers komen tot die conclusie, zo ook Thomas Nagel, een hedendaags atheïstisch filosoof aan de universiteit van New York. (1)

De biologisch-dynamisch landbouw is in 1924 door Rudolf Steiner geïnaugureerd. (2) Deze vorm van landbouw is eigenlijk toegepaste spiritualiteit. Ze staat daarmee in lijn met een duizenden jarenlange traditie van landbouwmethoden die vrijwel allemaal in religieuze bedding stonden. Nieuw, net als de biologische landbouw, is de aansluiting op het moderne levensgevoel: de vrije individuele mens die iets eerst wil begrijpen voordat hij/zij zich er bewust mee kan verbinden. De biodynamische landbouw omvat de principes van de biologische landbouw, maar voegt daar een geestelijk principe aan toe. Niet vanwege traditionele  overwegingen uit het verleden, maar met het oog op de toekomst: de vrijheid van de individuele mens uitgebreid tot een geestelijke dimensie aan toe. Maar eigenlijk zeg ik het fout: alsof het geestelijke een soort kers op de taart is. Het is natuurlijk andersom: de geest is er eerst, al het andere vloeit daaruit voort.

De jaren twintig en dertig van de vorige eeuw zijn ook de jaren van Simone Weil. En over dat tijdsbestek wil ik twee opmerkingen maken: als eerste; de biologische landbouw, en ecologie überhaupt, was (nog) geen groot thema. De gangbare landbouw was in grote delen van Europa, ook in West-Europa, overwegend nog zeer archaïsch: kleinschalig, gemengd en regionaal. Een groot deel van de bevolking was werkzaam in de landbouw. Ten tweede: Simone Weil’s focus ligt in de eerste plaats op het sociale aspect van de mens werkend in de landbouw. Het zijn juist de sociale omstandigheden die sindsdien drastisch veranderd zijn - wie werkt er immers nog in de landbouw?-  en daarom kunnen gedeelten van de onderstaande citaten als gedateerd overkomen, toch noem ik ze vanwege andere lezenswaardige redenen. Andere citaten, die een meer plantkundige invalshoek hebben, komen verderop aan de orde. Uiteindelijk zal blijken dat de psychologisch-maatschappelijke en de plantkundig-ecologische aspecten samenkomen.

Uit haar laatste boek: L’enracinement, prélude à une déclaration des devoirs envers l’être humain (Verworteling, wat we de mens verplicht zijn), geschreven in de laatste maanden van haar leven stammen onderstaande citaten.

Verworteling

Geworteld zijn is misschien de belangrijkste en meest miskende behoefte van de menselijke ziel. Het is ook een van de moeilijkst definieerbare. Een mens wortelt doordat hij daadwerkelijk, actief en op natuurlijke wijze deelneemt aan een gemeenschap die bepaalde schatten uit het verleden levend houdt en gevoelens over de toekomst koestert. Met dat op natuurlijke wijze deelnemen bedoel ik de verbondenheid met plaats, geboorte beroep of omgeving. Elk mens heeft behoefte aan velerlei wortels omdat hij bijna alles van zijn morele, intellectuele en spirituele leven moet opvangen uit de omgevingen waarvan hij op natuurlijke wijze deel uitmaakt’.

Wie ontworteld is, ontwortelt anderen. Wie geworteld is, ontworteld anderen niet’.

Onderwijs en spiritualiteit

Wetenschap moet aan fabrieksarbeiders heel anders gebracht worden dan aan boeren. Voor arbeiders ligt het voor de hand dat alles gedomineerd wordt door het mechanische aspect. Voor boeren zou alles moeten uitgaan van de prachtige kringloop, waarbij de energie van de zon, die neerdaalt in de planten, wordt opgenomen door het bladgroen, zich concentreert in de zaden en vruchten, binnenkomt in de mens die eet en drinkt, opgenomen wordt in de spieren en uiteindelijk gebruikt wordt voor het beheer van de aarde. Alles wat met wetenschap te maken heeft , kan aan de hand van deze kringloop worden uitgelegd, want het begrip energie is in het middelpunt van alles. Als deze manier van denken over de kringloop in de geest van de boeren wordt opgenomen, zou ze de arbeid met poëzie kunnen omhullen. In algemene zin zou het onderwijs op de dorpen als fundamenteel doel moeten hebben de gevoeligheid voor de schoonheid van de wereld te verhogen’.

‘Het zou ook gunstig zijn als de kerken iets bijzonders maken van het beroep van dorpspastoor of -voorganger. Het is een schandaal dat in een volledig katholiek Frans dorp in het dagelijks leven, afgezien van een paar uur op zondag, de religie geheel afwezig is. En dat wanneer je bedenkt hoe graag Christus het leven op het platteland in zijn gelijkenissen gebruikt heeft.{…] Op dezelfde manier als de sterren en de zon waarover de onderwijzer het heeft, in schriften en boeken voorkomen en geen enkel verband hebben met de hemel, hebben de wijngaard, het koren, de schapen waarover het in de mis gaat, niets gemeen met de wijnstok, het koren en de schapen in het velden waarop zich iedere dag wat van het eigen leven afspeelt. De christelijke boeren zijn in hun religieuze leven ook ontworteld.[…] …zo zouden de boeren [..] trots moeten zijn op wat er in de gelijkenissen slaat op het leven op het platteland en op d heilige functie van brood en wijn. Dat zou hen het gevoel kunnen geven dat het christendom iets voor hun betekent.[…] De neutraliteit van de secularisatie is gewoon onjuist. Het seculiere systeem is niet neutraal. Het brengt aan de kinderen een filosofie over die weliswaar veel hoger staat dan die van de officieel beleden godsdienst, maar wel veel lager is dan die van het authentieke christendom’. […]

‘Op de plattelandsscholen zou het aandachtig lezen, bespreken en herhalen van teksten uit het Nieuwe Testament waarin sprake is van het leven op het platteland, veel kunnen doen om de verloren gegane poëzie aan dat leven terug te geven’. […] Waarom zou bijvoorbeeld een boer die aan het zaaien is, niet ergens in zijn hoofd, zelfs zonder woorden, denken aan een paar gelijkenissen van Christus zoals, ‘Als de graankorrel sterft…’, ‘Het zaad is het woord van God..’, ‘Het mosterdzaadje is het kleinste van alle zaden…’ en dus ook aan het dubbele mechanisme van de groei. In dat laatste geval gaat het aan de ene kant om de graankorrel die met behulp van bacteriën verteert en aan de oppervlakte komt, en aan de andere kant om de zonne-energie die neerdaalt in de vorm van licht en, opgevangen door het groen van de halmen, onweerstaanbaar weer opstijgt'. 

Behalve uit het bovenstaande boek van haar, zijn er nog wel meer citaten van haar te vinden. Bijvoorbeeld in een verzameling gedachten van haar: ‘Pensées sans ordre concernant l’amour de Dieu’ (‘Willekeurige gedachten met betrekking tot God’s liefde’ vertaling RG)

Zonlicht

[…] ‘De zwaartekracht waaraan al de bewegingen van de natuur integraal onderworpen zijn, is het beeld van de vleselijke gehechtheid waaraan de neigingen van onze ziel onderworpen zijn. De enige kracht die in staat is de zwaartekracht te overwinnen, is de energie van de zon. Deze energie is het die, op aarde neergedaald in de planten die haar ontvangen, het hen mogelijk maakt verticaal omhoog te groeien. Door de handeling van het eten dringt het binnen in de dieren en in ons. Alleen door haar zijn we in staat rechtop te staan en lasten te dragen. Alle bronnen van mechanische energie, rivieren, steenkool, petroleum zelfs, komen van haar. Het is de zon die onze motoren doet draaien, die onze vliegtuigen toelaat op te stijgen en de vogels zich in de lucht kunnen verheffen. We kunnen de zonne-energie niet gaan halen. We kunnen ze alleen aannemen. Zij is het die naar ons toe komt. Zij dringt binnen in de planten. Zij is in de graankorrel onder de aarde, in de duisternis. En daar is het dat zij, en zij alleen, het wonder van de ontkieming bewerkt, het wonder dat graan en bomen doet oprijzen naar de hemel. Zelfs in een dode boom, in een paal, is zij het die belet dat zij ineenstorten. Met haar bouwen we onze woningen. Zij is het beeld van de genade die in ons neerdaalt in de duisternis van onze verdorven zielen, en die er de enige bron van energie vormt, die de zedelijke zwaartekracht, onze neiging naar het kwade kan overwinnen’.

‘De arbeid van de landbouwer bestaat niet daarin dat hij de zonne-energie vergaart of opvangt, maar dat hij alles zodanig schikt dat de planten, die in staat zijn het licht op te vangen en aan ons door te geven, daartoe in optimale omstandigheden verkeren. De inspanning die de landbouwer bij deze arbeid levert, komt niet van hemzelf, maar van de energie die hij opdeed uit het voedsel, m.a.w. uit diezelfde zonne-energie die in de planten is en in de dieren die zich met deze planten voeden. Op dezelfde wijze beperkt zich onze inspanning om het goede te verkrijgen tot de arbeid die hierin bestaat, dat wij ontvankelijk zijn voor de genade. En zelfs de hiervoor nodige energie wordt ons door diezelfde genade geschonken’.

‘Een landbouwer is in alles wat hij doet een acteur die een rol speelt in een heilig toneelstuk, waarin de verhoudingen tussen God en de  schepping tot uitdrukking gebracht worden’.

‘Niet alleen de bron van de zonne-energie is onbereikbaar voor de mens, maar ook het vermogen om zonne-energie in voedsel om te zetten’.

‘De moderne wetenschap beschouwt de plantaardige substantie die men chlorofyl noemt als de zetel van dit vermogen. In de oudheid zei men sap in plaats van chlorofyl, wat op hetzelfde neerkomt. Zoals de zon het beeld is van God, zo ook is het plantaardig sap dat de zonne-energie opslaat, en dat zich aan ons opoffert om door ons gemalen en verbrijzeld te worden, voor ons een beeld van de Middelaar, de Zoon. Heel de arbeid van de landbouwer bestaat er in dit beeld tot uitdrukking te brengen’.

‘Indien de arbeid op het veld niet baadt in het bovennatuurlijke licht van deze poëzie, dan blijft er niets anders over dan afstompende, saaie herhaling van bezigheden, die maken dat men weldra enkel nog uit is op de meest botte vormen van voldoening, en dat men tot slot wanhopig wordt. Want nergens is de afwezigheid van zinnige vooruitzichten – en dat is toch wat het menselijk leven zo ongelukkig maakt- zo duidelijk zichtbaar als in de arbeid op het land’.

‘De landbouwer arbeidt tot uitputting toe om in zijn voedsel te voorzien. Hij eet om kracht te hebben voor zijn arbeid. En als het jaar om is, staat hij even ver als in het begin. Het is een cirkelbeweging. Alleen de doorschemering van het goddelijk licht maakt dit leven dragelijk. Maar om dezelfde reden is een monotoon leven meer geschikt om tot inkeer te komen’.

Landbouw kenmerkt zich door haar cycliciteit. Uit de bovenstaande citaten van Simone Weil rijst het beeld op van de januskop. Enerzijds een positieve kant; in vergelijking met de mechanisch karakter van de industrie heeft de landbouw een levende en prachtige zijnskwaliteit die zelfs ‘de arbeid met poëzie kan omhullen’. Anderzijds bestaat er door de eindeloze herhaling van het zware werk een gevaar op afstomping, temeer omdat er niets overblijft van de producten die met al die inspanningen zijn voortgebracht, er moet immers gegeten worden. Het is het goddelijk licht dat door de realiteit van alledag transcendeert die de remedie is om het dragelijk te maken.

Zoals het licht de planten doet groeien, zo ook verheft zij de mensenzielen en biedt zij troost en zingeving. Hier komen de psychologisch-maatschappelijke en de plantkundig-ecologische aspecten samen.

Waarom is dat zo belangrijk? De tegenstelling tussen geest en materie wordt daarmee opgeheven. Voor Simone was het evident dat voor een waarlijk begrip van de wereld het nodig is om de fysieke werkelijkheid er bij te betrekken. Dát was haar drijfveer om fysiek werk te doen, zowel in de fabrieken maar ook op het land. Niet een afwenden van de aardse realiteit, zoals in menig oosterse religie wordt gepropageerd, voert de mens verder, maar een verbinden van hemel en aarde door de mens. Dat is de ware opdracht van de mens. In ieder geval sinds Christus 2000 jaar geleden zich met de aarde heeft verbonden met het mysterie van Golgotha op Goede Vrijdag, waarbij zijn bloed in de aarde lekte.                                                                                                                                                                                                                                                                                                              De planten staan net als de mens in een verticale houding. Zij tillen de aardse substantie op uit de bodem en absorberen het hemelse zonlicht dat van boven komt. In de fotosynthese, nog steeds een raadselachtig proces, voltrekt zich de vereniging van beide stromen. Wij mensen zijn er toe voorbestemd hetzelfde te doen, maar dan op zielenniveau. Een afwenden van de aardse omstandigheden zou deze heilige opdracht teniet doen. Een opdracht die tweeledig is: niet alleen het eigen zielenheil verzorgen, maar zeker ook het verzorgen van de Aarde als levend organisme, met al haar schepselen.

Nog twee citaten van Simone Weil met dezelfde strekking:

‘Je kunt de mens vergelijken met een boom. Een boom is geworteld en wel in de aarde. Zo kan zij zichzelf voeden. Zo moet ook een mens geworteld zijn, en wel in het licht, van boven als het ware. En zich door het licht laten voeden, anders is er geen oriëntatie voor het leven op aarde. Het gaat om waarden, waarden die niet hier op aarde gevonden kunnen worden’.

‘Geworteld zijn van boven, de mens als omgekeerde plant, maar beide staan in dezelfde verticale houding en verbinden hemel en aarde. De boom van beneden uit de mens van boven uit'. 

Literatuur over Simone Weil, zie noten (3) en (4)

Noten

(1)Thomas Nagel, Geest en Kosmos, hoe houdbaar is de neodarwinistische visie? AUP 2014

(2)Rudolf Steiner, Vruchtbare landbouw. 8 Voordrachten in Koberwitz 1924. Vrij Geestesleven 2017, derde herziene druk.

(3)Frits de Lange, In alles tot het uiterste. Ten Have 2024

(4)Simone Weil, Liefde is licht. Religieuze teksten van Simone Weil samengesteld door Laurent Bastiaens. Kokboekencentrum 2020

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.